Prijsschieten op onderwijsvernieuwers
De afgelopen jaren was het prijsschieten op onderwijsvernieuwers en onderwijskundigen. Altijd raak voor een knaak. Middelmatige stukjesschrijvers hadden eindelijk iets gevonden om hun schrijfsels een aureool van maatschappelijke importantie mee te geven: de onderwijsramp! Verbugge of een ander bedacht de volgende listig op onderbuik en onvrede inspelende Fortuyniaanse complottheorie: grootscheepse onderwijsvernieuwingen zijn bedacht door onderwijskundigen die samenzweren met managers. Deze managers verdienen Balkende-plus salarissen en minachten hun docenten. Daarvoor gebruiken ze het nieuwe leren, waardoor leerlingen immers geen kennis meer hoeven op te doen. En de leerlingen, die weten niets meer.
Inmiddels is deze theorie volledig door de feiten gelogenstraft. Hoe graag de onderwijsbashers het ook willen zien, er is geen sprake van een achteruitgang van het kennisniveau van de Nederlandse leerling. Dat verbaast mij trouwens niets want ik heb nog nooit een onderwijsvernieuwer gesproken die beweerde dat kennis, rekenen of taal niet belangrijk zouden zijn. De onderwijsinspectie publiceerde onlangs het rapport De staat van het onderwijs en concludeert dat het onderwijs het beter doet dan 10 jaar geleden. Eerder concludeerde de onderwijsraad in Versteviging van kennis in het onderwijs ook al dat er geen sprake is van achteruitgang van het kennisniveau. En het CITO vond het ook al. Hoe graag velen, de Volkskrant voorop, het onderwijsdrama ook wilden zien, het bestaat gewoon niet.
En dan die zogenaamd enorme onderwijsveranderingen: geen enkel beroep is zo weinig veranderd als dat van docent. Bij een gemiddeld bankkantoor wordt in een jaar meer gereorganiseerd, omgebogen en gemoderniseerd dan bij het onderwijs in een eeuw. Iemand die 40 jaar geleden Frans gaf zou na een dag inwerken weer voor de klas kunnen. Alle huidige onderwijsvernieuwingen grijpen aantoonbaar terug op een traditie van minstens 100 jaar onderwijsvernieuwing.
Waarom heeft dit onderwijsbashen, zoals door mevrouw Truijens met verve beoefend, dan nog zo lang stand kunnen houden? Op de eerste plaats omdat het effectief inspeelde op gevoelens van onvrede. Ons onderwijs is nog lang niet ideaal, dat weet iedereen. En iedereen ergert zich wel eens aan een horkerige manager, zeker als die schaamteloos graaiend gesalarieerd is. En op de tweede plaats, en dat zien velen over het hoofd, omdat het lekker veilig is, dat hakken op onderwijskundigen. Je kunt tamelijk straffeloos roepen dat ons land een onderwijsdrama kent en dat dat de schuld is van onderwijskundigen. Meestal slechts gelardeerd met wat subjectieve persoonlijke observaties, maar zonder hoor en wederhoor, zonder een bezoek te brengen aan vernieuwende scholen en zonder de feiten te raadplegen. En nu langzaamaan duidelijk wordt dat er drie jaar lang indianenverhalen over het onderwijs zijn opgehangen en dat Dijsselbloem feitelijk nauwelijks empirische grond onder de voeten had, zoeken we toch gewoon een andere beroepsgroep waar het makkelijk op hakken is. Tip: pak de gemeente-ambtenaar, die van zijn communicatieadviseur toch niks mag terugzeggen.
Goedkope journalistiek vaart op makkelijke slachtoffers. Uit mijn Leidse onderwijstijd ken ik veel onderwijskundestudenten. Het zijn vrijwel altijd nette meisjes met als belangrijkste studiemotief dat ze "iets met kinderen willen doen". Blond, hockeyend of korfballend en vrijwilligster in een buurthuis. Van een heel ander kaliber dan advocaten, apothekers of vaatchirurgen, die absurde aantijgingen aan hun beroepsgroep allang in de kiem gesmoord hadden met snoeiharde juridische procedures of hun Haagse lobby. Onderwijskundigen bleken uiteindelijk dus gewoon makkelijke slachtoffers van goedkope maar uiterst schadelijke journalistiek.
Rob Martens
