Goede en slechte journalistiek
Laat ik positief beginnen: ik juich de instelling van een prijs voor de Onderwijsjournalistiek van harte toe. En dat is heel wat voor iemand die vindt dat zoiets als onderwijsjournalistiek helemaal niet bestaat. Het is een bekende open deur, maar toch: je hebt alleen goede en slechte journalistiek. En voor zover iemand al datgene wat over onderwijs gepubliceerd wordt toch onderwijsjournalistiek wil noemen, ben ik geneigd het meeste daarvan onder de tweede categorie te scharen: dus slechte journalistiek.
Maar laat ik voor de gelegenheid toch maar even meegaan met de veronderstelling dat je in ons land kunt spreken van onderwijsjournalistiek, dan wel onderwijsjournalistieke producties. Daarvan zie ik twee soorten:
1. Producties die gericht zijn op het veld
2. Producties voor een breed publiek
Over de eerste kan ik kort zijn; die houden in journalistiek opzicht niet over. Al te vaak verkondigen ze alleen maar een boodschap, en dus die van de belanghebbende van de publicatie. Maar soms bezitten ze wel een journalistieke kwaliteit, die ze dan onmiddellijk in aanmerking laat komen voor een prijs zoals die vandaag uitgereikt wordt.
Maar eigenlijk gaat het hier meer over de tweede groep. Het feit dat daar een speciale prijs voor in het leven geroepen is, maakt het al duidelijk: dat kan veel beter. Waarom is het, met name in de dagbladen en op de televisie, zo slecht gesteld met de onderwijsjournalistiek?
Ten eerste: de journalistiek is weer eens de schuld. Ik zeg dat een beetje tonque-in-cheeck, maar in dit geval kan ik het er ook nog wel mee eens zijn. Mijn collega's bakken er niks van, althans te weinig. De pure weergave van feitelijkheden valt meestal nog wel mee. Maar zo gauw het erom gaat dingen te interpreteren of in een bepaalde context te zetten, gaat het mis. Het enige excuus is dat de journalistiek over de hele linie op dit punt het behoorlijk laat afweten, maar dat is het slapste excuus dat je kunt bedenken.
Erger is nog wat je de duiding zou kunnen noemen. Journalistieke duiding is een van de moeilijkste onderdelen van het vak, en er zijn er maar weinigen die dat onder de knie hebben. Het soort duiding dat je rond onderwijs maar al te vaak tegenkomt is gewoon de vermomming waarin vooroordelen verpakt worden.
Ten tweede: dat het er zo beroerd voorstaat met de onderwijsjournalistiek, is in belangrijke mate mede te wijten aan het onderwijs zelf, het veld. Dat was, en is, vrees ik, eigenlijk nog steeds, veel te veel een in zichzelf gekeerde sector. Daarbinnen is lange tijd geen behoefte geweest aan goede en dus kritische journalistiek. Wel is er altijd sprake geweest van grote en breed gedeelde verontwaardiging over wat de buitenwereld, en dan in de eerste plaats de kranten en de equivalenten daarvan op de televisie, de journaals en de actualiteitenrubrieken annex praatprogramma's, over het onderwijs te berde brachten.
Conclusies:
1. Wil er sprake zijn van goede onderwijsjournalistiek, dan moeten de journalisten die zich daarmee bezighouden vooral de journalistieke principes niet uit het oog verliezen. Een brede, kritische blik, feiten checken, hoor en wederhoor, en onbevooroordeeld verslag doen.
2. (Goede) onderwijsjournalistiek is gebaat bij een open, professionele sector die bereid is kritisch te kijken naar het eigen functioneren, en zich er daarbij van bewust is dat ze onderdeel uitmaakt van een maatschappij in beweging. Daarbij zou een goed, onafhankelijk vakblad, gemaakt door journalisten, zeer dienstig zijn. Zo'n vakblad vormt dan de buffer tussen enerzijds de goedwillende onderwijsprofessionals en anderzijds de veeleisende buitenwereld. Een zelfbewuste sector zal dan ook niet meer bij elke journalistieke uitglijer in de publieksbladen in een kramp hoeven te schieten.
Jacq Zinken
