Logo SSO

Verrast

Wanneer werd ik tijdens mijn werk als onderwijsjournalist voor het laatst verrast? Ik bedoel: echt in de zin van: hè, wat gebeurt me nú?

Ik loop inmiddels ruim vijfenhalf jaar rond in het onderwijsveld, als journalist. En ik kan wel doen alsof ik dat objectief doe, maar niets menselijks is mij vreemd. Natuurlijk heb ik een beeld van hoe het onderwijs in elkaar zit. Maar ik doe wel mijn best niet in een kamp terecht te komen. Want juist het onderwijs is de laatste jaren het slagveld van een richtingenstrijd.

Grofweg kun je er twee dominante, steeds terugkerende beelden in terugvinden: het ene is dat het allemaal niks is, het andere dat het allemaal fantastisch gaat. Het eerste beeld domineert de borreltafel en de inhoud van menig column, en vindt zo niet zelden ook zijn weg naar tv-journalistieke producties, waar het toch veel meer dan op de radio of in kranten van belang is de werkelijkheid zo ongenuanceerd mogelijk neer te zetten.

Het andere beeld domineert schoolgidsen, websites, persberichten en publicaties van pedagogisch-didactische adviesbureaus. Alle scholen zeggen het fantastisch te doen, maatwerk te bieden, talenten optimaal te ontplooien, etc.

Beide beelden moeten helaas worden gezien als een vereenvoudiging van de werkelijkheid.

Het grappige is: de aanhangers van de twee sluiten elkaar voortdurend uit. Als je het eens bent met het ene beeld, zul je het andere ook wel vinden, of juist niet vinden. Je bent of voor de Beatles, óf de Stones, je vindt óf Michael Jackson goed, óf Prince, houdt van rock, óf klassiek, óf jazz. Kán niet samen. De mensen van Iederwijs hebben het als enigen bij het rechte eind óf alleen de mensen die werken aan hogere prestaties voor rekenen en taal. Als je voor modernisering van het onderwijs bent, kún je de Canon van de Nederlandse geschiedenis geen goed idee vinden.

Welnu: ik vind de Beatles én de Stones steengoed, ik hou van klassiek, rock, én jazz. Ik zie de positieve bijdrage die Iederwijs heeft geleverd, maar vind het ook terecht dat BON opkomt voor ouderwets goed leraarschap.

De geloofsstrijd gaat met veel gedram gepaard. Zelfs in de uitnodiging voor vanmiddag klinkt het een tikkeltje door: hoe is het toch mogelijk dat mensen, ja, ook onderwijsjournalisten!, ondanks alle onderzoeken die er door (!) de VO Raad over zijn uitgevoerd, nog steeds blijven bijdragen aan het beeld van te grote managementlagen? Tsja, denk ik dan, ik kén de onderzoeken die aantonen dat dat in het onderwijs best meevalt, maar ik krijg ook te maken met bestuurders die werkelijk heel ver af staan van het primaire proces, en dat schrijf ik dan soms op.

We startten bij de Volkskrant bijna een jaar geleden de Onderwijsagenda, en een van de eerste fasen was die van de elektronische reacties: belangstellenden, lezers, konden hun stem uitbrengen op wat ze ervoeren als het grootste probleem waarmee het onderwijs kampt. De reacties waren overweldigend in aantal en vaak ook felheid. Ook hier viel weer op hoe gelijkhebberig beide kampen opereren. Het ontaardt al snel in diskwalificatie van de mensen die er anders over denken. Het lijkt goddomme soms wel alsof er Palestijnen en joden tegenover elkaar staan.

De vraag is natuurlijk: in hoeverre laat de onderwijsjournalist zich hierdoor beïnvloeden? Bij de Onderwijsagenda kon dat tamelijk beperkt blijven, doordat de tweede fase van het proces uitdrukkelijk positief gericht was: als verslaggevers gingen we juist op zoek naar datgene wat positief opviel, datgene wat een oplossing in zich droeg, waar mensen zelf de hand aan de ploeg hadden geslagen in plaats van in lerarenkamers tegen elkaar aan te blijven klagen. Dat was verfrissend. Doorgaans is een journalist immers op zoek naar wat negatief afwijkt, dat wat niet goed loopt.

Ik zeg altijd tegen iedereen: voedt me maar met informatie, ik heb er nooit te veel van. Verreweg de meeste uitnodigingen die komen binnenvallen in de mailbox VK Onderwijs gooi ik weg, met de meeste tips die telefonisch binnenkomen over onrecht op allerlei scholen kan ik weinig. Maar ik wil het wel allemaal hebben. Ik kan het geklaag van mensen uit het onderwijs die ik persoonlijk ken doorgaans goed hebben, en weet ook de opmerkingen daar weer over van mensen uit het management goed te plaatsen. Het zijn allemaal facetten van de werkelijkheid, ingrediënten van de kopijsaucijs die ik als onderwijsjournalist annex worstdraaier maak.

Zo is ook de informatiestroom vanuit de digitale wereld te zien. Je kunt het laagdrempelige van mails en elektronische reacties zien als een last, maar volgens mij is het net als al die andere kanalen gewoon voeding. Ook dat geeft een beeld van wat er in het veld leeft, bij een deel van de beroepsbeoefenaren. Aan mij als worstenmaker om het te wegen, en het naast de andere beelden de plek te geven die er recht aan doet.

Daarom wil ik hier ook een lans breken voor beide tegengestelde beelden die het speelveld van de onderwijsjournalist afbakenen, het overdreven positieve en het ongenuanceerd negatieve. Stuur mij maar berichten over welke nieuwe onderwijsmethode er nu weer is gelanceerd, welke unieke vondst een school heeft ingepland. Ik ga wél kritisch vragen hoe bijzonder iets nu werkelijk is, en zal zonodig lege hulzen doorprikken. Maar alsjeblieft: wees enthousiast. Zonder geestdrift en vernieuwingsdrang wordt alles stilstaand water dat spreekwoordelijk stinkt.

Maar ook het beeld dat het allemaal klote is heeft zin. Het is niet erg om iets af en toe stevig te schetsen. Het in grote halen, zeg maar met conté, in grote vegen en vette schaduwen neer te zetten. Er komt heel wat bij kijken om de onderwijsoptimisten enig realiteitsbesef bij te brengen. Het dwingt tot aandacht voor de praktische implicaties van vernieuwingen. Aandacht niet voor de mensen die achter een bureau met een hippe hoornen bril creatief zitten wezen, maar voor degenen die het zelf ten overstaan van 30 pubers moeten zien te verkopen.

Ik ben de afgelopen jaren geregeld aangesproken op columns van (eerst) Martin Sommer en later Aleid Truijens in de Volkskrant. Vind ik dat erg? Absoluut niet. Wel verbaast het me soms dat ook de doorgaans bovengemiddeld opgeleide vakmensen in het onderwijs het verschil niet kennen tussen opinie en redactionele verhalen. En ook verbaast het me vaak dat mensen de waarde niet inzien van een scherpe column. Een stukje dat alles relativeert zet niemand aan het denken.

Tegen mensen in het veld zeg ik vaak dat ik zo'n ontzettend mooi beroep heb: als weinig andere beroepsbeoefenaren kan ik me als journalist vrijwel uitsluitend laten leiden door mijn nieuwsgierigheid. Dat is al prachtig, maar in deze portefeuille brengt die nieuwsgierigheid me bovendien naar plekken waar mensen bezig zijn met het mooiste dat mensen kunnen doen: andere mensen iets bijbrengen. In iets beter maken, hen laten groeien, op weg helpen. Scholen, of het nu basisscholen zijn of universiteiten, mbo's of categoriale mavo's, zijn plekken waar mensen werken die anderen iets willen geven: hun kennis en vaardigheden. Dat geldt zowel voor de traditioneel klassikaal opererende vakleerkracht als de volgens moderne onderwijsmethoden werkende docent. Ze houden van kinderen, en willen hen helpen groeien. En niet alleen hún aanwezigheid binnen scholen maakt me vrolijk, vooral ook die van kinderen, of het nou peuters zijn of jongvolwassenen. Ik bedoel: je kunt als journalist ook moeten schrijven over oorlog, over misdaad, over zieke mensen, of, misschien nog wel het ergste, over politiek.

Ik begon met de vraag: wanneer werd ik voor het laatst tijdens mijn werk verrast. Ik heb veel mooie ideeën gehoord, veel enthousiaste mensen gesproken het laatste jaar. Voor mij geen verrassing. Dus de laatste keer dat ik werkelijk met de mond vol tanden stond moet geweest zijn eind januari, toen de vestigingsdirecteur van een mavo in Leiden in huilen uitbrak toen hij vertelde hoe moeilijk het was zijn school overeind te houden in het geweld van bestuurs- en gemeenteplannen, fusiedruk, en nog zowat krachten die tegenwoordig gewoon zijn in het onderwijs.

Ik was eigenlijk naar hem toegegaan omdat hij een eenvoudig maar goed idee had om het werk voor docenten, leerlingen en leiding makkelijker en beter te maken, en nu hield hij het ineens niet droog bij een wildvreemde journalist. Mij trof zijn enorme betrokkenheid bij zijn school, zijn ondanks een zekere murwheid nog bestaande vechtlust en de vooral liefde voor een groep kinderen die niet vanzelfsprekend leren.

Wat moet ik er nou van denken als dat een verrassend beeld is in het onderwijs?

Robin Gerrits